Otmar…

Ik lees een boek uit. Otmars zonen, van Peter Buwalda. Buwalda’s literaire loopbaan leest als een jongensboek. Elf, twaalf jaar geleden kreeg hij een beurs van uitgeverij de Bezige Bij, de Bij onder vakbroeders, om een roman te schrijven. Tot dat moment had hij nog niet veel laten zien waar de Bij de beslissing op kon baseren maar toch investeerden ze in een onzeker vervolg. Het bleek een van de beste keuzes van de uitgeverij, want negen jaar geleden was het debuut van Buwalda een oorverdovend succes. Het gejubel rondom Bonita Avenue hield zeker een jaar aan, daarna werd het weer stil en begon literair nederland te wachten op een tweede roman uit de pen van Buwalda. Het wachten werd op de proef gesteld. Niet dat hij in de tussentijd niets deed, hij schreef met regelmaat columns in gerespecteerde kranten maar een tweede roman bleef uit. Elk jaar stuurde ik Buwalda een mail, een maand of vier voor de boekenweek, met de vraag of er een nieuwe roman op het punt van uitbrengen stond. Elk jaar kreeg ik niet het gewenste antwoord. Dit jaar wist ik dat ik geen mail hoefde te sturen want er stond iets op stapel. In september zou de langverwachte tweede roman van Peter Buwalda verschijnen. Ik kon niet wachten. In die tijd kwam ik ook bij zijn broer thuis, waar het manuscript, keurig netjes met de titel op het frontblad, op zijn bureau lag, zo dichtbij. De verschijning werd uitgesteld. Het zou december worden, en Peter en zijn broer werkten de klok rond om het manuscript naar de wensen van Peter te voltooien. In Amsterdam sloten ze zich een week op en las zijn broer het manuscript van het eerste deel van de trilogie aan Peter voor. Een verhaal moet je soms horen om te weten waar de zinnen niet ritmisch lopen of verhaallijnen spaak lopen. December werd niet gehaald. Nog een keer uitstel, nu naar half februari en dit keer lukte het wel. Op aswoensdag, een beetje suf nog van de vastelaovend, had ik het boek in handen waar ik al negen jaar op aan het wachten was. Ik begon er dezelfde avond aan maar hield het niet zo lang vol. Niets ten nadele van het boek maar het slaaptekort van de gepasseerde heerlijke dagen noopten me tot bed. Op donderdag viel het nrc als eerste met een recensie op de vloer. Vijf sterren. Fantastisch. Wat een heerlijk gevoel moet het zijn geweest voor Peter en zijn naasten. Een bevestiging, geen one day fly, wederom een knaller. Nu heb ik het uit. Zo’n negen jaar heeft hij er over gedaan om het te schrijven. Het kost me iets meer dan twee weken om het te lezen, en dat dan ook omdat ik het wat druk had af en toe, in de avond. Vind ik het ook vijf sterren? Dat niet. Viereneenhalf, omdat er altijd wel iets beter kan, maar wat een prachtig boek is dit. En ik kan niet wachten tot deel twee uit deze trilogie verschijnt, want het open einde nodigt uit om verder te lezen. Dat lukt nog niet, er zullen geen negen jaar overheen gaan, maar eventjes wachten moet weer wel.

Advertenties

Kuit…

Het laatste trainingsrondje voorafgaand aan de Venloop. Ik begon voor deze editie wat laat met buiten trainen. Pas eind januari liep ik de eerste kilometers over asfalt, maar de trainingen in de sportschool bleken toch voldoende resultaat te hebben achtergelaten om direct tien kilometer te rennen en het al vrij snel op te bouwen waardoor ik de afgelopen twee weken al twee keer nagenoeg een halve marathon gerend heb. Dat geeft vertrouwen. Vandaag nog één keer een wat langere afstand, daarna een week rust. Ik begin thuis in de woonkamer met de warming-up. Wat dribbelen op de plaats en rek en strek oefeningen. Daarna naar buiten, de telefoon instellen en rennen. Ik besluit de route van de Venloop maar weer te gaan lopen en dan kan ik altijd op de terugweg beslissen of ik de brug nog over ren en Hout-Blerick meepak of rechtstreeks naar huis ren. De eerste optie is toch weer een afstand van twintig kilometer, de tweede iets meer dan vijftien. Het is warm, daar heb ik altijd snel last van en ik ren met een redelijk tempo Venlo uit en schiet de saaie Natteweg op, lekker door richting Tegelen, onder het viaduct van de snelwegen door en dan ben ik in Tegelen en voel ik opeens een flinke steek in mijn rechter kuit. Ik neem snelheid terug en loop rustiger door maar het steken blijft en ik begin te wandelen maar ook dat voelt niet prettig dus stop ik helemaal. Ik kijk op mijn telefoon. Vier komma zeven kilometer. Ik voel aan mijn kuit, ik voel geen pijnlijke plek, het voelt alsof mijn kuit zeer plaatselijk enorm verkrampt is. Ik besluit terug naar Venlo te wandelen met een hoofd vol onrustige gedachten. Ten eerste weet ik niet wat er mis is met mijn kuit. Kramp tijdens het rennen heb ik nog nooit gehad, bovendien heb ik de afgelopen dagen heel veel water gedronken wat juist kramp zou moeten voorkomen. Het feit dat het zo plots op kwam zetten voelt ook niet goed. Is het een scheurtje of iets anders. Wat als het volgende week tijdens de Venloop ook gebeurt. Dan is het snel einde oefening en zou het de tweede Venloop zijn die ik door een blessure moet opgeven. Ik heb nog een week en het lijkt mij dat rust het best is aangezien ik kan knijpen en duwen wat ik wil zonder dat het pijnlijk voelt. Na wat googelen lees ik dat kramp in de kuit vaak voorkomt bij warm weer. Dat geeft me weer wat moed. Misschien was het gewoon de warmte en het verlies aan vocht waardoor een relatief onschuldige kramp mijn kuit in geschoten is. Toch voelt het niet echt fijn, deze laatste voorbereiding, en gaat dat natuurlijk vooral tussen de oren zitten, zoals ik altijd net voor een wedstrijd overal pijntjes begin te voelen. Hoe dan ook zal ik de volgende week aan de start staan, en als mijn kuit een beetje beter zijn best gaat doen, kan ik na afloop een volgende medaille bij de groeiende stapel in mijn sportlade leggen.

Vlinder…

Ik kijk naar de prachtig gele vlindertjes die voor me uitvliegen terwijl ik met de hondjes over het hondenpad loop. Citroenvlinders, denk ik, teken dat het voorjaar er nu echt aan zit te komen. Het zijn de vlinders, het is de Japanse kers aan de overkant van de straat waar de bloemen al een hele tijd op knappen stonden. Ik zag de roze witte kelken, gesloten nog en de dagen bleven koud en de bloemen dicht. Nu, eindelijk een warme dag zijn de bloemen opengesprongen net als de bomen met de witte bloesem een eindje verder in de straat. Alles staat in het teken van de lente, voor mijn gevoel altijd de echte start van het nieuwe jaar. Weg met de kou, de sneeuw en de gure wind. Nu is het weer tijd voor een warme zon, een zomerjas of zelfs geen jas en buiten zitten, buiten lunchen, misschien ook weer eens de barbecue. Dat schiet door mijn hoofs terwijl ik wandel over het hondenpad op de Hertog Reinoudsingel, terwijl de hondjes vrolijk met me mee rennen aan de lange lijn en de vlindertjes een eindje voor me dansen in de lucht.

Stipt…

Ik sta voor het zwarte afzetlint op de eerste verdieping van de Ikea in Eindhoven. Op een plakkaat, dat uit een apparaat aan het plafond is gerold, staat dat de winkel om tien uur open gaat. De winkel is er nog niet klaar voor, de koffie wel, staat er en dat de koffie tot tien uur gratis is. Dat verklaart wellicht de enorme hoeveelheid mensen die al in het restaurant zitten. Ik kijk op mijn klok. Het is net voor tienen dus ik blijf wachten en laat het gratis bakje leut aan me voorbijgaan. Net na tienen slurpt het apparaat aan het plafond het plakkaat naar binnen en komt een medewerker het afzetlint weghalen en kan ik de winkel in. De Ikea doorlopen zonder mensen tegen te komen is vreemd en je mist direct een element wat volledig hoort bij het shoppen in een winkel als dit: ergernis. Ik kan overal direct naartoe, ik hoef niet op te letten of ik tegen iemand aan bots en op het moment dat ik even hulp nodig heb bij een product heb ik de keuze uit zes Ikea meisjes. Ik zoek alles bij elkaar en ben direct aan de beurt bij de kassa. Nadat ik alles in de auto heb geladen is het iets na elven. Ik zou het moeten kunnen halen, twaalf uur terug bij de winkel. Dat zou handig zijn want dan is de poller nog omlaag en kan ik doorrijden en anders moet ik alle spullen van een behoorlijke afstand af sjouwen. Het zit niet mee, truuk nao Venlo. De rechterweghelft zit vol vrachtwagens en steeds weer begint er eentje aan het trage inhalen waardoor ik weer kilometers traag achter zo’n kolos hang. Uiteindelijk ben ik in Venlo en als ik langs het oude postkantoor rijd hoor ik Gijs Staverman zeggen, het is tweeëntwintig seconden over twaalf, dit is het nieuws. Tweeëntwintig seconden. Daar komen er nog een aantal bij want ik moet de Spoorstraat nog door. Ik sla rechtsaf en van een afstandje zie ik het al, de poller staat omhoog, de gemeente is stipt. Het wordt toch sjouwen.

Training…

Ik sta met Lotje, ons jongste hondje, een metertje of twee achter de rest van de groep waar vandaag veel nieuwe, grote, honden bij zitten. Puppy’s nog, maar wel vijf keer zo groot als Lotje en dat maakt indruk. Dat merkte ik al bij de simpele loopoefeningen waar ze constant voor en achter haar keek omdat zowel voor als achter een nieuwe hond liep die ze nog niet vertrouwt. Het gaat wel al een stuk beter. Ze blaft niet de hele tijd en loopt ook wel mee maar echt aandacht voor mij heeft ze niet. Na het speelkwartiertje, waar ik even buiten de groep haar los kan laten en met een touw gooi waar ze hard achteraan rent lijkt ze de andere hondjes even te vergeten en is ze het blije hondje zoals we haar kennen. Enthousiast. Onbevreesd. Na het spelen loop ik terug naar de groep en blijf er dus een metertje of twee achter staan. De trainster spreekt tegen de nieuwe baasjes, geeft uitleg. Dan ziet ze mij en Lotje en vertelt tegen de nieuwelingen dat ‘hae’ nog erg onzeker is en dat ‘hae’ wat bangig is en dat ‘hae’ niet te direct benaderd moet worden omdat ‘hae’ dan schrikt. Ik kijk naar Lotje, die toch echt een ‘het’ is en ik zeg tegen de groep dat de opmerkingen betrekking hebben op mijn hondje, dat het met mezelf nogal meevalt met mijn schrikachtigheid. Even is het stil in de groep dan begint een baasje met een prachtige grote witte herder te proesten. De trainster begint ook te lachen en roept, om de pionnen, en we beginnen allemaal weer het vierkantje om de pionnen te lopen. Rechtsomkeert, roept de trainster en we draaien allemaal en de hondjes draaien mee.

Uitslag…

Het Forum voor Democratie is de grote winnaar van deze verkiezingsronde. Daar moet ik me bij neerleggen, zoals ik me al jaren moet neerleggen bij het feit dat er hele volksstammen in Nederland partijen aanhangen die onverdraagzaamheid prediken, angst aanpraten en polarisatie in de hand werken. Persoonlijk vind ik Thierry Baudet een beetje een eng mannetje, iemand die het niet zo nauw neemt met de feiten maar die behoorlijk goed in staat blijkt om zijn eigen werkelijkheid als de waarheid te verkopen. Iemand die glashard de gevolgen van klimaatverandering ontkent verliest bij mij geloofwaardigheid. Dat er meerdere wegen naar een oplossing voor deze problematiek leiden, onderschrijf ik direct. Dat je kunt bediscussiëren of een klein landje als Nederland het verschil gaat maken op globaal niveau door voorop te lopen in maatregelen zelfs redelijk, maar dat je een gehele wetenschap die aan heeft getoond wat de opwarming van de aarde nu en in de nabije toekomst teweeg brengt als lariekoek terzijde schuift vind ik onvoorstelbaar. Toch trekt het heel veel stemmen, die mening, en ik kan me niet voorstellen dat al die stemmers er ook zo over denken. Of over hun buurman die toevallig een ander geloof aanhangt. Waar of op wie ze dan wel hebben gestemd is in het hele politieke landschap onduidelijk, zo bleek vanavond op televisie. Bij de verschillende provinciën wisten de senatoren niet wie de politici van het Forum dan wel waren. Ze hadden ze niet gezien tijdens de campagnes, ze hadden ze niet gezien tijdens de vele politieke overleggen en ook vanavond, bij de uitslagen waren er in de provinciën geen politici van het Forum aanwezig. Op de vraag aan de gevestigde politiek of ze samenwerking zagen zitten was eigenlijk overal het antwoord, eerst maar eens kennismaken met de mensen achter het Forum en zien waar ze voor staan. Als de politiek het al niet weet, hoe heeft de kiezer het dan geweten. Wat gaan de nieuw gekozen senatoren in Limburg doen voor onze prachtige provincie. Welk geluid gaan zij verkondigen buiten het populistische geblaat van Baudet. De komende tijd gaan we het merken. Misschien valt het wel heel erg mee. Toch houd ik mijn hart vast.

Klinkers…

Ik kom via de Begijnengang aanfietsen en zie, schuin voor de zij-ingang van de winkel, twee stratenmakers keien uit de straat wippen op een plek waar nog geen drie maanden geleden ook de keien uit de straat gewipt werden en juist in de drukke dagen van de feestdagen grote kuilen in het straatbeeld verschenen om gasleidingen te kunnen vervangen. Ik vraag aan de mannen of de straat weer open gaat. De oudste van de twee schudt zijn hoofd. Verzakt, zegt hij, wijzend op de stenen. Niet goed aangestampt, zegt zijn jongere collega. Ik knik, ben blij dat in elk geval de straat niet weer opengaat en ik zeg dat het in elk geval mooi weer is om buiten te werken. Mooi weer voor een bak koffie, roept de jongste en ik zeg dat ik ga zetten. Ik loop naar binnen, zet de koffie aan en loop door de winkel om lampen aan te zetten en computers op te starten, dan loop ik terug naar buiten en vraag aan de mannen of ze de koffie binnen of buiten willen drinken. Het liefst buiten, is het antwoord, en alles erin is het antwoord op mijn volgende, nog niet gestelde vraag. Ik breng de koffie en de heren nemen het aan en pakken direct allebei hun shagbuil erbij. De oudste wijst naar klinkers, een stukje verderop. Niet goed ingeveegd, zegt hij. Komt door de veegwagens, die halen het zand, dat eigenlijk zeker een week op de klinkers moet liggen, direct de andere dag weg. Daardoor komt er niet genoeg zand tussen de klinkers en gaan ze los liggen. Het lijkt mij een niet al te ingewikkelde oplossing. Een weekje niet vegen, of in elk geval niet met de veegwagen. De oudste haalt zijn schouders op. Al vaak gezegd, zegt hij, maar er wordt naar ons niet geluisterd. Hij steekt zijn sigaret aan en ik loop naar binnen. Nog geen minuut later klinkt de bel en staat de jongste met de lege mokken aan de deur. Ik zeg dat ze dat snel gedaan hebben. Hij haalt zijn schouders op. Buiten koelt de koffie sneller.

Maas…

Ik fiets de stad uit. Rechts van me kijk ik naar de Maasboulevard en naar de verdwenen traptreden en het plein dat voor een groot gedeelte opgeslokt is door de Maas. Iets hoger dan het waterpeil zijn mannen aan het timmeren bij de ijskraam, er wordt een nieuw terras gemaakt dat over niet al te lange tijd weer gevuld zal zijn met ijsetende klandisie tijdens een warme lenteavond. Nu lijkt het of ze beter een waterkering zouden kunnen timmeren met het beschikbare hout. Ik fiets de bocht om en nu krijg ik een compleet zicht over de brede en onstuimige Maas. Het hoge water en de wind zorgen voor flinke stroming en dat leidt tot mooi golven. Jaren geleden was ik lid bij kanovereniging de Viking en dit soort weer was het leukste om te gaan varen. We voeren in afvaartboten, gemaakt om ruwe bergriviertjes mee af te dalen en zo instabiel als wat. De boot dreef op het water, vrijwel geen diepgang en aangezien je zelf toch een eindje boven de boot uitstak zorgden simpele natuurkundige wetten ervoor dat de boot om wilde draaien. In de boot zette je je vast in een stoeltje. Je voeten tegen een dwarse metalen buis, zo zat je er strak in en met je heupen stuurde je de boot en hield je je balans. Ik was er nooit zo goed in, maar wist na een tijdje in elk geval mijn hoofd boven water te houden en een Maas als dit, waar het water van alle kanten de boot bestookte maakte varen een uitdaging. Nu zie ik niemand op de Maas. Op de dijk, een eindje voor me, staat een ambulance. Een vrouw, ambulancemedewerkster, stapt aan de rechterkant uit, loopt om de ambulance heen en stapt aan de bestuurderskant weer in. Ik vraag me af wat er gebeurd is. Ik kijk rechts, het water klotst tegen de dijk. Het grasveld, normaal zeker vijftig meter tot aan de Maas, is weg. Wellicht is iemand in het water geraakt. Ik las vanmorgen in de krant dat er gisteren drie mensen, vrijwel tegelijkertijd maar op verschillende locaties, te water raakten. De ambulance begint te rijden. Ik volg. Ik kan er niet langs en telkens wanneer er tegenliggers komen gaat de ambulance langzamer rijden en moet ik remmen. Op een gegeven moment stopt de ambulance, precies op een punt waar het fietspad geheel onder water staat en ik roep, niet stoppen, en dat kunnen ze niet gehoord hebben maar toch begint de wagen weer te rijden en net voor ik mijn voeten in de plas moet zetten kan ik toch weer verder fietsen. De twee oudere wandelaars, waar voor gestopt werd, hebben me wel gehoord en kijken me een beetje verwijtend aan. Ik wil iets zeggen over de plas en over bijna natte voeten, maar ik fiets toch maar gewoon door.

Zondag…

Ik steek tussen de buien door even de straat over naar de collega van de damesschoenenwinkel. Even vragen hoe het daar gaat op een moment dat het in de winkel eventjes rustig is. Het eerste uurtje liep lekker, zegt ze, daarna zakte het wat in, wellicht veroorzaakt door de winterse bui die even over Venlo trok. Tijdens die winterse bui, opeens viel er sneeuw, stond ik met twee klanten te praten waarvan de vrouw van origine Duitse was, maar ze wist zich goed te uiten in het Nederlands. Maart roert zijn staart, zei ik, wijzend op de sneeuw en de vrouw herhaalde de woorden staccato. Maart. Roert. Zijn. Staart. Ze keek vragend naar de man naast haar en die legde uit wat ik bedoelde. Ze zei iets in het Duits richting de man, en ik verstond het niet maar ik vermoedde dat het een Duits equivalent voor het Nederlandse gezegde vormde. Ik kijk naar mijn winkel, zie een aantal mensen naar binnen wandelen en ik groet de collega en steek de straat weer over. Er schijnt een zonnetje nu en de straat blinkt van het licht. Nog even, dan begint de lente. Ik heb er zin in.

Vroeger…

De al wat oudere man die een boek op komt halen zegt tegen me dat hij altijd al een lezer is geweest. Van jongs af aan. Hij haalt herinneringen op dat hij in de bibliotheek van Maastricht boeken van Witte Veder las, hij was negen, het was negentienvijfenveertig. Ik zeg, ach ja, Arendsoog, en vraag of hij ook de boeken van Karl May las. Dat bevestigt hij. Als de boeken maar een beetje spannend waren. Ik vraag hoe oud hij toen was en hij zegt dat hij van zesendertig is, dus ik reken uit dat hij toen negen was. Daarmee komen we te spreken over de oorlog. Hij kan zich de soldaten nog herinneren, maar verder ging het leven redelijk z’n gewone gangetje. Hij moest gewoon naar school. Ik ken ook de verhalen van de ouderen die in de oorlog kind waren en vijf jaar vrijaf kregen van school en dat eigenlijk wel erg leuk vonden. Hij vertelt dat ze ’s avonds naar Ome Keessie luisterden, een hoorspel op de radio waar ze echt even voor gingen zitten en dat programma kwam precies achter het programma Keuvel en Klessebes, een nsb propaganda programma, waardoor ze altijd het eind van dat programma moesten luisteren om zeker niet het begin van Ome Keessie te missen. De man, nu ook al verre van dik, zegt dat de kinderen die echt te mager waren er uit werden gepikt om aan te sterken bij Egmond aan Zee. Hij ziet zichzelf nog staan in het groepje scharminkels, allemaal met een koffertje op het treinstation. En het kilootje dat hij aankwam was er terug thuis altijd weer in een paar weken tijd vanaf, waarmee hij weer tot de doelgroep behoorde en zo een keer of tien naar Egmond moest. Hij wil meer vertellen. Hij heeft veel verhalen en alle tijd. Ik moet echter verder, een volgende klant staat te wachten en de man pakt zijn boek van de balie. Ik dank hem voor zijn verhalen en hij dankt me voor mijn tijd.