Voorbereiding…

Poetsen, daarmee begint de dag. Stofzuigen, stoffen en badkamer en toilet soppen. Douchegordijn afhalen en in een emmertje met chloor. Daarna mijn handen tien minuten wassen tot het gladde, bijna slijmerige gevoel van mijn vingers verdwenen is. Rond het middaguur pauze en schaatsen kijken met een fantastisch resultaat. Goud. Dan gaat mijn telefoon, mijn zoon is thuis maar heeft zijn sleutels vergeten dus staat achter de poort te wachten. Ik maak open en zeg dat hij zijn fiets buiten kan laten staan, we gaan samen lunchen en dat vindt hij heel erg leuk. Hij is vandaag nog twaalf, laatste dag, morgen zijn feestje. Reden om even samen te vieren, te proosten met warme chocomel op zijn laatste twaalfjarige dag. Met broodjes en soep. Daarna boodschappen doen voor lasagne’s voor het feestje, een vegetarische en een normale. Ik heb een recept opgezocht voor een vegetarische, er gaat een kilo geraspte wortel in maar helaas blijkt de supermarkt geen geraspte wortel meer te hebben dus haal ik wortel naar wortel over de rasp tot ik een kom wortelprut en een lamme arm heb. Daarna bechamelsaus maken van soja en yoghurt en dat in laagjes aanbrengen met wortel en lasagneblad. Het is meer werk dan ik dacht. Ik steek het resultaat in de oven. Niet te lang, morgen afbakken en ik maak de volgende, met vlees, een iets grotere lasagne dan de eerste. Als het klaar is ben ik vooral moe. Ik merk dat ik nog altijd niet de energie heb die ik normaal van mezelf gewend ben. Ik ga even liggen op de bank en ben direct vertrokken. Een uur weg. Als ik wakker wordt ben ik duf, tien minuutjes, daarna voel ik langzaam de energie terugkomen en ben ik klaar voor de avond.

Advertenties

Koopavond…

Koopavond en ik sta voor in de winkel. Lekker tussen de boeken waar ik het me het liefst tussen begeef. Een jongen komt met zijn moeder de winkel binnengelopen en ze stoppen bij de kasten met Engelse boeken. Ze kijkt om, heeft zes Engelse boeken nodig, zegt ze, verwijzend naar haar zoon en ik zeg dat dat, gezien de twee volle kasten, geen enkel probleem mag zijn. Later blijkt dat het zes specifieke boeken moeten zijn hetgeen de mogelijkheden vernauwt maar uiteindelijk vindt hij wel een boek naar zijn gading. Boekwinkels bestaan door mensen zoals ik, zegt de vrouw, en vervolgt dat ze een hekel heeft aan digitaal lezen. En dat weten we te waarderen, antwoord ik haar en ik zeg dat ook voor mij het digitaal lezen niet is weggelegd. De enige reden om digitaal te lezen is vanwege het geld, papier is vaak duurder dan bytes, maar ik lees liever een boek minder dan een boek met minder plezier. De jongen legt het gekozen boek op de balie en zij legt haar keuze, een boek van vijf euro er bovenop, hoezo papier is duur, en ik reken het totaal bedrag af zestienvijfennegentig. Ze vertrekken met de twee boeken in het papieren tasje dat ik hen gaf. Even later staat er een man voor me met een leren jas, hij komt zijn boek ophalen en hij pakt de gesp van de rits vast om zijn jas open te trekken terwijl ik wegloop. Wanneer ik terugkom met zijn boek staat hij nog steeds aan de gesp te trekken en hij zegt dat zijn jas niet open wil. Ik zeg dat dat buiten, in deze kou, niet verkeerd is. Binnen, wanneer je je portemonnee nodig hebt is het wellicht minder en de man begint nu met zijn hand van onder zijn jasje naar boven te graven waarbij hij het plafond onderzoekend bekijkt. Later zal ik me afvragen of je je portemonnee onder uit je jas kunt halen zonder naar een plafond te staren. Na een tijdje heeft hij beet en tovert hij zijn beurs tevoorschijn en rekent af. Een volgende klant was al eerder in de avond in de winkel en komt nu nog een keer om de dvd nao ’t zuuje te kopen, of het een kadootje is, vraag ik, en dat blijkt het te zijn.

Barnes…

Ik lees een boek uit. Julian Barnes, het enige verhaal. Al halverwege het boek begint mijn gevoel van verlies dat ik soms voel wanneer een boek zo prachtig is dat elke pagina die ik lees me verrijkt en tevens achterlaat met een droef gevoel. Weer een pagina minder. Over het boek. Pak een schriftje. Schrijf daarin de zin, it’s better to have loved and lost then never to have loved at all. Kijk naar de zin, voel de zin, streep hem dan door. Vervolgens schrijf je hem weer op. Dat is de essentie van Barnes’ laatste roman. Een liefde, bepalend voor alles, maar uiteindelijk verdwijnend en wat overblijft is niets. Hoe ga je om met het leven waarin de essentie ervoor ontbreekt. De kaft van het boek kon daarom ook niet beter gekozen worden. Het enige verhaal, in drukletters, doorgestreept en daaronder in schrijfletters nogmaals, het enige verhaal. Want is er slechts een verhaal van je leven of hadden er meerdere verhalen kunnen zijn, wat als. Barnes weet het verhaal kunstig neer te zetten, met name het constant wisselende perspectief maakt het verhaal boeiend, vanuit de ik-persoon in het begin van het verhaal waarin alles nog goed is en de toekomst open ligt naar de je-persoon in het tweede deel van het boek. Hier wordt al meer afstand door de auteur genomen en hij eindigt het boek grotendeels in de hij-persoon. Eén verhaal, redelijk chronologisch met wat terugblikken maar toch met drie perspectieven. Soms springt hij nog even in de perspectieven, dat maakt het verhaal speels. Het is meesterlijk, het is uit, voor iedereen die het nog niet gelezen heeft, ik ben jaloers, je hebt nog iets prachtigs te gaan.

Verhaal…

De bel gaat, ik maak open en zie de chauffeur van het boekhuis die ik jarenlang zag wanneer in de ochtend de bel ging maar de laatste jaren was het altijd een ander gezicht, gezichten, dus het is een leuk weerzien. Hij brengt een kleine pallet boeken, maar vooral brengt hij verhalen, hij komt uit Weert. Viert niet echt Carnaval zegt hij en hij heeft er ook moeite mee dat mensen die hij normaal niet ziet of mee praat opeens met tong in zijn oor lopen te roeren en ik zeg dat ik daar ook moeite mee zou hebben. Hij vertelt over zijn leven als chauffeur en dat hij elke ander baan had kunnen nemen maar trouw bleef aan zijn huidige werkgever en dat dat uitbetaalde toen zijn broer stierf op zevenenvijftig jarige leeftijd en niet alleen hij maar ook zijn vrouw door een door een diep dal gingen en de werkgever daar ver in meeging om hem het leven niet zwaarder te maken dan het al was. Hij drinkt de koffie die ik hem gaf, melk en suiker, en hij praat maar door, het zijn prachtige verhalen, tragische verhalen, humoristische verhalen en ik ben slechts toehoorder, elke onderbreking neemt hij voor lief om even een adempauze te nemen en zijn verhaal verder te vertellen en ik luister er met plezier naar.

Bed…

Ik voel dat de griep bijna over is maar dat ik er nog net niet helemaal ben, nog net een beetje verhoging en een vervelende hoest die me doen besluiten om toch ook nog maar de maandag thuis te blijven. Ik sta om zes uur op en zet zoals elke ochtend koffie en lees de krant. Annemiek drinkt een kop koffie mee en vertrekt naar het werk en ik besluit ook aan de slag te gaan. Niet op het werk betekent niet dat ik niet kan werken, vaak krijg ik thuis zelfs meer weggewerkt dan in de winkel waar elke activiteit steevast geïnterrumpeerd wordt door zeven andere klussen. Na twee uur mijn mailbox leegwerken en een voorzichtig begin in het wegwerken van wat achterstand in de administratie begint het me te duizelen. Ik mag me dan wel wat beter voelen, energiek ben ik nog verre van. Ik kruip terug in bed en slaap drie uur diep. Twee uur werk kost drie uur slaap, dat is nog niet de juiste verhouding. Na het slapen eet ik wat en keert de energie terug, nog een poging, dit keer poets ik de badkamer en het toilet en andermaal moet ik het bekopen met een volgende slaappartij. Het ontbreken van energie is iets wat me zelden overkomt, ik kan altijd nog wel even door. Deze dagen word ik even op mijn plek gezet, of beter, in mijn bed gelegd.

Boem…

Ik fiets de Keulerstraat op vanaf het fietspad langs de jongerenkerk, ik passeer het parkeerterrein van het Arsenaal waar niet lang geleden een hele toren stond en nu slechts een plein met dezelfde ingang waar een collega van Annemiek laatst met grote verbazing doorheen reed want na de normale ingang bleef plots een heel gebouw weg. Een auto rijdt me tegemoet, achter de auto een brommer. De auto wil de van Cleefstraat indraaien wat niet gaat vanaf de Keulerstraat, dat is een stuk slechts voorbehouden aan fietsers en midden op de weg staat een paal. De automobiliste heeft duidelijk het bord niet gezien en moet opeens hard remmen om niet tegen de paal te rijden en de brommer achter haar remt even hard. Ze zag het bord over het hoofd waarop stond dat het een fietspad was waar ze in wilde rijden maar ze ziet de brommer direct achter haar ook volledig over het hoofd want ze aarzelt niet in het achteruit zetten van de auto en ik zie hoe de brommer geen kant op kan en de bestuurder springt er nog snel af terwijl de auto de brommer krakend in waarde vermindert. De brommerbestuurder staat langs het gebeuren en heft zijn handen naar boven in ongeloof. Ik fiets langs, ik zie de bestuursters in berusting de sleutel omdraaien, de bestuurder met de handen in de lucht, een mooi stilleven. Dan ben ik door, een andere fietser achter me, ik kijk nog een keer om maar zie slechts de fietser. Het incident blijft waar het gebeurd is en ik ben alweer op een andere plek.

Herinneringen…

Het is woensdag, Aswoensdag en ik fiets de stad in, de stad die de afgelopen dagen overgenomen was door een feestvierende bende, door vrienden die het leven aan het vieren waren en die daarbij nu en dan terugdachten aan zij die er niet meer waren om mee te feesten, en die stad is nu anders. De straten nu gevuld met poetswagens, glazenwassers en vuilniswagens. Vrachtwagens van brouwerijen die lege vaten die in balen buiten op zijn gestapeld op komen pikken. Het feest is gedaan, de stad moet weer naar normaal worden getransformeerd. Wat blijft zijn de herinneringen. Heerlijke dagen van feesten in de stad met degene waar ik van houd, van de momenten bij een uit de hand gelopen Hoslaup, die weer grappig wordt, ondanks de enorme drukte door het stel voor ons die zeggen dat ze het in de documentaire leuker vonden. De drukte op de parade op zondag en de optocht in het fantastische zonnige en toch ook weer sneeuwende weer. De kindjes op de hoek van een praalwagen in veiligheidszitjes, hun ogen uitkijkend naar alle kleur en luisterend naar al die muziek. En elke dag die stad die langzaam de lichten uitdoet waardoor de sfeer intiemer wordt, Vastelaovend bij kaarslicht. En op dinsdag de boérebroélof voorbij zien trekken aan Koops, waar we altijd staan en waar we twee opmerkingen krijgen, waarom trekken jullie niet mee en is de winkel open. Op de eerste vraag antwoorden we dat er anders voor de trekkenden geen publiek is om aan voorbij te trekken en op de tweede vraag is het antwoord nee, natuurlijk is de winkel niet open tijdens het grootste feest van het jaar. Het leuke aan de optocht op dinsdag vind ik de lange schare aan bekenden en vrienden die aan ons voorbij trekken, de lol die dan gemaakt kan worden en we weten, straks staan we samen voor het stadhuis, dan is publiek en optocht gewoon weer één, zijn we allemaal weer samen en allemaal gelijk, zoals de gehele Vastelaovend is. Allemaal verschillend en toch allemaal zo enorm gelijk. Ik doe de winkeldeuren open. Vier dagen gesloten, onKoops, we zijn altijd open en staan voor iedereen klaar. Vastelaovend is de uitzondering. Ik peuter de plakbandjes van de posters aan de ramen weg, een wagen komt langs en begint de ramen te spoelen en een veegwagen rijdt voorbij. Nog een paar dagen poetsen, dan is het alsof er niet gebeurd is, dan zijn alle vlaggen weg en vliegen er tijdens het fietsen niet opeens rood en blauwe ballonnen net voor me voorbij. Dan neemt het normale leven weer zijn aanvang en dat is goed omdat iedereen weet dat er volgend jaar weer een Vastelaovend is.

Zaterdag…

Zaterdag. Vastelaovend in Venlo is begonnen. Ik loop met mijn zoon naar de bakker en hij telt de mensen die al verkleed zijn. Ik weet niet op welk aantal hij uitkomt maar het zijn er in elk geval meer dan degene die niet verkleed zijn, ons inbegrepen. Hoewel de zaterdag aan alle kanten aanvoelt als de eerste Vastelaovensdag is de vrijdag voor mij er eerder een. De vrijdag gaat om de liedjes, de beste liedjes en die trekken me naar de stad, een stad die op zaterdag bevolkt wordt door heel Limburg en door liedjes die voor mij veel minder het echte gevoel weten los te maken. Big Benny of Beppie Kraf doen het voor mij helaas gewoon niet. Dus kijken we thuis naar de televisie, normaal de blauwe zaterdag met Herm en zijn trillende handjes maar nu noodgedwongen naar het podium voor het stadhuis en dat blijkt niet minder leuk. Elke keer dat we naar buiten stappen, voor boodschappen of het hondje horen we de stad, de muziek en dat is het fijne van dichtbij de stad wonen, ook al ben je er niet bij, je krijgt het wel mee. Morgen begint voor ons de echte Vastelaovend, de dreej daag. Het is laat en ik loop met het hondje de straat uit, in de verte hoor ik nog altijd muziek die de avond kleurt, ik sla het hoekje om en een eindje voor me zie ik iemand die het moeilijk heeft, hij of zij wankelt, pakt de volle breedte van de stoep en stopt nu en dan. Ik twijfel even, oversteken en negeren of niet. Ik kies voor het laatste, kijk even of ik met een hij of een zij te maken heb en ga over op het Venloos, en vraag of het gaat, ik leg mijn hand op zijn schouder. Het gaat goed, zegt hij en ik vraag waar hij naartoe moet en hij wijst, om de hoek. Morgen weer een dag, zeg ik en hij zegt, voor jou ook, en dat vind ik mooi, en ik loop verder met het hondje en ik kijk om en zie hem worstelen bij een huis met zijn sleutels en ik denk dat hij nog wel even een klein gesprekje met zijn vrouw of vriendin heeft alvorens het een nieuwe dag is.

Leedjes…

Ik poets het huis terwijl op de achtergrond steeds de top vijf vijf vijf van omroep venlo klinkt. Hoe verder het vordert in het aftellen naar nummer één, hoe bekender de liedjes worden. Nu komen de meeste liedjes die in de lange lijst staan me wel bekend voor, en vaak kan ik het refreintje wel meezingen, zodra we bij de laatste honderd komen kan ik de meeste geheel meezingen, op een enkel Tegels of Blericks liedje na. Na de poetswerkzaamheden laat ik het hondje uit precies op het moment dat de jongste zoon de straat in komt gefietst. Hij wil meewandelen dus loop ik weer naar binnen en wacht tot hij zijn fiets in de schuur heeft gezet en via de achterdeur binnenkomt. Samen weer door de voordeur naar buiten, even een klein rondje waarin we afspreken dat we in de stad verder gaan kijken naar de top vijf vijf vijf. Zo gezegd zo gedaan. Thuiskomen, omkleden, een beetje schmink op de gezichten en dan weer naar buiten. Om kwart over twee staan we op de parade, voor het podium waar het nog redelijk rustig is, in het zonnetje genieten van de mooie nummers die langskomen. Ik spreek even met een vriend van vroeger die ik elk jaar met de Vastelaovend tegenkom. Even kort bijpraten, dan gaat hij verder en ik blijf bij mijn zoon en hij drinkt zijn cola en eet popcorn en ik drink een biertje. Ik voel gekriebel in mijn nek en kijk om en een wat oudere vrouw is het labeltje dat uit mijn hemd stak terug aan het duwen. Ik moet er wel netjes op staan, zegt ze. Ik bedank haar. Het wordt drukker en de liedjes bekender. Ik kijk over de mensen heen, gekleurde mensen, prachtige kleren, prachtige hoedjes en gezichten, de monden die synchroon meezingen met de liedjes en de lach die ook op mijn gezicht staat zie ik op veel gezichten. Het is begonnen.

Nog eens lopen…

Ik loop met het hondje, alweer, straat uit, hoek om en aan de andere kant van de straat komt een andere man met zijn hondje en ons hondje steekt de straat over zoals hondjes doen om andere hondjes te ontmoeten. Ik ben daar een beetje gereserveerd in omdat ons hondje met enige regelmaat een behoorlijke chagrijn blijkt te zijn tijdens ontmoetingen met soortgenoten. Dit keer gaat het eventjes goed. De hondjes snuffelen wat en opeens begint het hondje van de andere man te grommen en daarop gaat ons hondje los, grommen, grauwen en blaffen. Ik trek haar terug en spreek haar bestraffend toe waarop het andere baasje zegt dat zijn hondje ook vaak een trutje kan zijn. We laten de twee hondjes weer voorzichtig bij elkaar en nu gaat het beter, een beetje argwanend snuffelen maar geen agressie meer. Ik loop door, de weg over, het hondenpaadje op waar even later een vrouw met een hond die sterk naar ons hondje trekt aan komt wandelen. Ze zegt dat ze denkt dat onze honden elkaar al kennen, waaruit ik opmaak dat ze de hond uitlaat voor iemand anders. Ik zeg dat ik geen idee heb, er lopen hier zoveel honden, zoveel baasjes, ik houd het niet precies bij. De honden schieten naar elkaar en het gaat goed, verrassend, direct vriendjes. Ik denk dat ze elkaar al wel eens gezien zullen hebben, alhoewel ik daar niet helemaal zeker van ben.