Café…

we gaan zitten in het kleine café aan de maas. Even daarvoor gingen we buiten op het terras zitten, we waren de enigen die dat deden en ik zat vlak naast een peukenpaal die stonk waardoor ik even later toch op een andere stoel aan de tafel wilde gaan zitten maar daar zat vogelpoep op dus wisselde ik die stoel en toen ik eindelijk zat begon het te regenen en besloten we toch maar naar binnen te gaan. Een serveerster komt onze bestelling brengen. Twee cola voor de jongens en een koffie voor mij. Ik kijk de ruimte rond. In de hoek zitten de twee oude dametjes die ik naar binnen zag gaan toen we nog buiten zaten en dat naar binnen gaan kostte wat moeite want de ene dame liep met een rollator en de ander probeerde de deur open te houden. Nu eten ze van een een flink stuk rijstevlaai met slagroom. Een tijdje later krijgen ze daar ook koffie bij. Voor de twee zit aan een tafel een Belgisch gezelschap, twee dames en een man en ze hebben hun eten op, de kom salade lijkt onaangeroerd maar de borden zijn leeg en ze voeren een geanimeerd gesprek waar ik af en toe flarden van opvang. Een man en een vrouw komen binnen en nemen plaats aan het tafeltje naast ons en ze bestellen bier, de vrouw een pilsje en de man krijgt een blond biertje uit een flesje. Ze proosten, zeggen iets tegen elkaar en ik hoor dat het ook Belgen zijn en daarna zijn ze stil. Af en toe pakken ze hun glas en drinken een slokje maar ze zeggen verder niets.

Step…

We gaan op pad richting kloosterdorp Steyl. Mijn oudste zoon en ik op de fiets en mijn jongste op zijn step, een stuntstep welteverstaan. Tot voor een paar maanden geleden had ik nog nooit van een stuntstep gehoord en nu heeft hij er een en weet ik wat het is. Een step die zo stevig gebouwd is dat je er meters mee door de lucht kunt vliegen, landen en de wieletjes doen het dan nog steeds. Hij kan er allerlei trucjes mee en springt en draait met het ding dat het een lieve lust is. Halverwege onze weg naar Steyl vraag ik aan mijn steppende zoon of hij bij mij achterop wil maar dat wil hij niet. Hij stept door, lange halen met zijn linkerbeen houdt hij ons tempo met de fiets redelijk makkelijk bij, blosjes op zijn wangen. In Steyl parkeren we onze fietsen, de step gaat mee. Mijn oudste zoon kijkt op het schermpje van mijn telefoon. We gaan op Pokémons jagen. Hij ziet er al snel eentje die nog niet in ons assortiment voorkomt en we lopen de kant op die hij wijst. Mijn jongste zoon met zijn step achter ons aan. Ik vraag of ik ook eens mag en hij vraagt hoe zwaar ik ben. Ik doe verontwaardigd en geef mijn gewicht, ik mag op de step en ik vraag tot welk gewicht het mag. Honderd kilo, zegt hij en ik zeg hé, wat denk je wel. Hij lacht. Ik step een stukje en probeer dan het sprongetje te maken die ik mijn zoon zo vaak zie doen. De step schiet omhoog, heel even op het achterste wieletje en dan lig ik op de grond. Bam. Mijn kinderen lachen. Ik deed een wheelie, roept mijn jongste zoon. Een heel korte, voeg ik eraan toe. Ik probeer het nog een paar keer. De eerste paar keren gaat het weer bijna mis, daarna gaat het beter en blijf ik op de step terwijl de step centimeters van het asfalt omhoog komt. Mijn jongste zoon is enthousiast, blijer dan ik, ik dacht minstens twintig centimeter van de grond omhoog te komen en ik vind de paar centimeters net niks. Later probeer ik het nog eens maar ik voel vooral angst wanneer ik op het stepje met een rotgang over het asfalt scheer. Bang om te vallen. Ik geef de step terug aan mijn zoon, die er op weg stuift. Tegen mijn oudste zoon zeg ik dat ik te oud word voor die onzin.

Kasten…

Ik kijk naar de kasten. Drie ervan staan evenwijdig met de muur aan de zijkant, één kast in een hoek van vijfenveertig graden en vervolgens weer twee kasten in diezelfde hoek tegen de muur aan het eind van de winkel. Vitrinekasten. Gevuld met mooie pennen. In het jaar dat we weer een winkel met kantoorbenodigdheden op de Klaasstraat openden heb ik al vaak gesjord aan deze kasten. Oorspronkelijk waren ze van de juwelier. Die had ze over en wist een adresje bij een sportcentrum. Die wilden ze ook weer kwijt net toen ik behoefte had aan afsluitbare vitrinekasten en dus verhuisden we de kasten weer terug naar de Klaasstraat, schuin tegenover de plek waar ze jarenlang stonden. Eerst met juwelen, nu met pennen. De kasten zijn zwaar. Massief kersenhout. Een collega opperde om de kasten iets naar achteren te verplaatsen om zo plek te maken voor een molen die dan net schuin voor de kasten zou kunnen staan. Geen slecht idee maar het wederom moeten schuiven met de kasten staat me tegen. Toch begin ik er aan. Eerst de kast in de hoek los wrikken, ik weet nog met hoe veel moeite ik de schuine kast op de plek kreeg geschoven en nu kost het me nog meer moeite om hem daarvandaan te krijgen. Na een tijdje is de kast ver genoeg weg waardoor ik er achterlangs kan. Ik kijk naar de plek waar ik de kasten heen wil verplaatsen. Daar staat nog een kast van het oude interieur, verankerd aan de muur, zo blijkt en ook aan de zijkant moet ik vijftien centimeter lange schroeven uit het hout en muur draaien. Ik voel mijn armen bij elke draai van de tweede schroef. Dan wrikken, maar de kast blijft staan waar hij staat. Ik draai de schroeven van de onderste plank er uit in de overtuiging dat daar nog iets aan de muur is vastgeschroefd maar dat blijkt niet te kloppen, de kast zit klem tussen de verwarmingsbuizen en met nog meer geweld dan eerst laat de kast de buizen los en trek ik hem naar het midden van de ruimte. Nu kan de eerste vitrinekast naar achter. Makkelijker gezegd dan gedaan. Na elke tien centimeter moet ik even stoppen, even op adem komen en mijn armen op kracht. Dan weer verder. Beetje bij beetje komen de kasten op hun plek te staan. De laatste kast kost het meeste tijd maar staat uiteindelijk ook. Ik kijk naar het resultaat nadat ik de de molens op hun plek heb gezet. De schuine hoek is er uit, het ziet veel ruimtelijker uit. De grote molen blokkeert wel het zicht op de kasten met mooie pennen enigszins dus daar moet ik misschien nog iets aan doen, later, wanneer ik mijn armen weer voel.

Dwdd…

En opeens staat dwdd ter discussie. Al langer hoor ik het tegengeluid op het populaire programma, de niet luisterende presentator die onderwerpen afkapt waar het zijn kennis of interesse voorbijgaat en de steeds weer terugkerende tafelgasten die verder weinig toevoegen aan de discussies. Ik hoor die geluiden en kijk toch met enige regelmaat naar het programma. Het item Chriet Titulaer zag ik niet en na alle reacties op sociale media en in kranten heb ik ook geen behoefte om het kennelijk tenenkrommende item te bekijken, hoezeer Brandt Corstius het achteraf ook probeert goed te praten en het boetekleed aantrekt. Ik kijk naar dwdd omdat het commercieel belangrijk is. Daags na de uitzending komen mensen de winkel in om de boeken te kopen die in het programma besproken zijn en dus moeten we ervoor zorgen dat die boeken er dan ook zijn. Of het programma leidt tot meer verkoop is natuurlijk onduidelijk, het zorgt wel voor meer eenduidige verkoop. De commercialiteit van het programma druipt er ook van af, de bands weten dat hun cd verkoop gestuwd wordt door hun aanwezigheid, de acteurs weten dat het voor vollere zalen zorgt en de auteurs zien hun stapels boeken slinken. Met enige regelmaat hoor ik de vraag waarom ik niet in het boekenpanel zit. Mijn passie voor literatuur, mijn makkelijk praten, bevlogenheid, allerlei termen en redenen van anderen die mij kennelijk tot een uitstekend lid van het panel maken. En ik twijfel. Commercieel is het natuurlijk zeker interessant maar wil ik mij overgeven aan een programma waar ik mijn passie moet beperken tot één minuut, waar ik die passie eerst de regie moet laten passeren alvorens ik deze andermaal oprecht ten gehore moet brengen. Ik ben nog niet gevraagd en misschien word ik nooit gevraagd, dat laatste zou ik fijn vinden want dan hoef ik niet te kiezen, maar word ik gevraagd, wat doe ik dan? Kies ik dan voor principes of probeer ik mijn passie tot uiting te brengen in een programma dat steeds commerciëler is geworden. Ik weet het niet, ik wacht de vraag maar eerst eens af.

Bankje…

In het weiland staat, op een kleine verhoging van zand, op stenen tegels om verzakken te voorkomen, een bankje onder een boom. Het is een hoge boom, vorig jaar geplant en nu voor het eerst zie ik de groene bladeren. Het gras van het weiland is groen en rondom het meertje dat vorig jaar gegraven is en waarvan het zand deels als ophogingen om het water is achtergelaten om overstromingen te voorkomen is het gras lichter groen. Een gans loopt gakkend over het gras richting het water, slaand met de vleugels. Het bankje is met de rug naar de weg waarover ik fiets gezet en kijkt half uit op het nieuwe meertje en half op het bos. Het ziet er uit als een klein paradijsje. Een paar jaar geleden liepen in dit weiland nog paarden maar het weiland liep vaak onder water en uiteindelijk bleven de paarden weg, begonnen de stallen te verroesten en de omheining ging steeds verder kapot. Door het graven van het meertje zijn de overstromingen verleden tijd, de werkzaamheden aan het weiland lijken afgerond, het ziet er mooi uit. Nu is het wachten tot er iemand op het bankje gaat zitten.

Bekeuring…

Ik fiets met mijn zoon de berg omhoog. Onderaan de berg staat een oplegger waar tot voor kort vooral afzetting stonden. Nog wel staat er het bord dat je er niet in mag rijden. We fietsen links de stoep op, volgens de borden moeten we dat doen en halverwege loopt een stel, man en vrouw, en ik fiets helemaal rechts zodat ik zonder problemen hen passeer maar mijn zoon fiets iets meer naar links omdat hij bang is anders de stoep af te fietsen die extra hoog is omdat de weg daaronder weg is geschraapt, en die paar centimeter zorgt ervoor dat de man van het stel doet alsof hij bijna omver gereden wordt en de vrouw maakt er opmerkingen over. Ik kijk naar mijn zoon maar hij heeft de opmerkingen niet gehoord en trapt door, de berg op. Halverwege de berg rijdt een agent op motor ons tegemoet. Hij rijdt aan de andere kant de stoep op en manoeuvreert zijn motor achter een keet. Onzichtbaar nu. Bovenaan de berg valt het me op dat de hekken die de afgelopen weken over de hele breedte van de weg geplaatst waren nu voor de helft weg zijn. Zowel boven als onder is er nu een opening gemaakt om auto’s door te laten en halverwege verschuilt een motoragent zich. In de regel sta ik vierkant achter overheidsinstanties, zelfs als ik het niet helemaal begrijp denk ik dat er wel een reden zal zijn die ik niet zie maar die de actie verantwoord. Nu zie ik een val. Haal wat hekken weg, de obstakels ook, het alternatief om een hele wijk te moeten doorkruisen is toch al niet aanlokkelijk en slechts een stopbord belemmert de doorgang. Mijn zoon vraagt waarom de agent daar parkeert. Ik zeg om mensen te bekeuren die de borden negeren dat ze niet over de straat mogen rijden. Ik voeg er aan toe dat ze beter de wegversperring die er al weken stond niet weg hadden moeten halen.

Huis…

Met een stanley-mesje, dat in een geel kunststof houdertje met handvat zit waardoor ik er wat kracht op kan zetten, bewerk ik de resten van dubbelzijdig tape op ramen en kozijnen. Geen gemakkelijk klusje, blijkt al snel. In het begin weet ik nog aan de rechterkant een opening te creëren door aan de zijkanten van de tape steeds met mijn vinger er overheen te rollen. Zodra het begin er is kan ik heel voorzichtig toch zeker twee of drie centimeter van de tape verwijderen voor het alsnog breekt en ik opnieuw een poging kan gaan wagen om een nieuw begin te maken. Aan de rechterkant lukt die truc niet dus rasp ik met het mesje de bovenlaag van de tape weg, daarna met een kwastje stickerverwijderaar er op en even wachten, dan weer krabben en een volgend laagje verwijderen. Laag voor laag verdwijnt de tape. Ons huis met elke centimeter verwijderde tape een beetje mooier, een beetje meer klaar voor de verkoop. De afgelopen weken deden we veel klusjes en klussen die we de afgelopen jaren niet deden omdat je anders tegen je huis aankijkt wanneer je er zelf in woont dan wanneer je je voorstelt dat iemand anders er in gaat wonen. In dat laatste geval word je kritischer. Ik ben opgegroeid in Belfeld. Mijn ouders hadden veel verbouwd in mijn ouderlijk huis maar kwamen op het eind van de verbouwing twintig centimeter plint te kort in de afwerking. Vijftien jaar ontbrak dat stukje maar toen het huis in de verkoop werd gezet was dat het eerste wat mijn vader deed, het laatste stukje er alsnog in timmeren. Ons huis is er nu klaar voor, het is nu zoeken naar klusjes die nog gedaan zouden kunnen worden. Het huis is er klaar voor, wij zijn er klaar voor, we gaan de verkoop in.

Bookstoreday…

Volgende week is de eerste bookstoreday, en daar moeten we uiteraard enthousiast over zijn want het is een idee vanuit het boekenvak om een extra koopstimulans te veroorzaken. Leuk. Echter ik deel dat enthousiasme niet. Recordstoreday is al jarenlang een begrip. In alle platenspeciaalzaken spelen op dit soort dagen bands van naam, bands die normaal enorme hallen weten te vullen met fans en onbetaalbaar zijn geworden voor de kleinere clubs, en zij staan dan voor zwaar gereduceerde prijzen in een platenzaak. Het boekenvak heeft gekozen om een maand na de boekenweek, toch hét feestje van het vak, en precies een week na recordstoreday een bookstoreday te organiseren. Mijn grootste vraag is: waarom? Op die dag zouden we lezingen en signeersessies moeten organiseren, speciale edities op slechts die dag moeten verkopen. Een idee volledig afgekeken van de platenbranche. Ieder zijn feestje, is mijn mening en tussen alle speciale dagen die de boekenbranche al kent hoeft van mij dus niet nog een speciale dag. Lezingen en signeersessies organiseren wij zo ook wel. Speciale edities verkopen we het hele jaar door. Bookstoreday is een dag waarop wij geacht worden te doen wat wij het hele jaar al doen, enthousiasme voor het prachtige product wat wij vertegenwoordigen uitstralen. Voor ons is het een bookstoreyear die we met even veel plezier in zijn gegaan als alle eerdere jaren.

Grrrr…

We vertrekken met groep zeven en acht op de fiets vanaf het speelplein. Leraar voorop, lerares achteraan en ik ergens halverwege waardoor ik als eerste, na een metertje of vijftig, bij het meisje uitkom die in de voorhoede fietste en haar trapper verliest. Ze moppert. Een week eerder overkwam het haar ook al bij het fietsexamen, een examen die toch echt eenvoudiger met goed resultaat is af te ronden mét twee trappers, en nu was haar fiets langs ‘de maker’, zoals zij hem richting mij noemt, geweest, maar zonder het gewenste resultaat. Met mijn nagels wip ik het dopje los aan de zijkant van de trapper en er achter ligt een losse moer. Ik draai de moer vast, zo goed en kwaad als het lukt met mijn vingers en het meisje fietst verder. Nog een metertje of honderd en dan valt voor de tweede keer de trapper van haar fiets. Ik besluit om haar fiets achter te laten en haar bij mij achterop te nemen en de leraren zijn het eens met dat plan. We fietsen door het Jaomerdal en de kinderen zuchten en puffen de berg omhoog en blijven tegen het meisje achterop mijn fiets opmerkingen maken dat zij het wel erg makkelijk heeft en zij lacht daar om. Ik help met het afzetten van wegen om de lange sliert aan scholieren veilig over te steken en we bereiken de Meule waar het lekker druk is. Bij een tent stallen we onze spullen en de kinderen doen een warming up. Daarna rennen. Met drie meisjes die niet mee kunnen doen loop ik naar de velden waar ze langs komen maar na een tijdje lopen we terug naar het begin waar de modderbaan is, de leukste plek om te kijken. De meisjes die vooraf aangaven niet vies te willen worden springen vol overgave de modder in en jongens waar je van zou verwachten dat ze eveneens met plezier de modder in zouden duiken blokkeren of passen en lopen zonder vies te worden langs de twee kuilen. Ik kijk naar mijn zoon die rondje na rondje rent samen met een vriendje, keer op keer komen ze weer langs, in totaal zeven keer, ze zien er nog steeds niet erg moe uit. Daarna omkleden. Op het grasveld verwijderen de kinderen de bemodderde kleren en doen iets droogs aan. Ik help een meisje wiens veters niet meer los willen en na verschillende pogingen van anderen lukt het mij wel en het meisje rukt dankbaar de bemodderde schoenen uit. Een jongetje probeert met een handdoek zich te bedekken terwijl hij zijn onderbroek probeert te wisselen terwijl een hele groep meisjes die actie geïnteresseerd aan het volgen is. Ik loop snel op hem af, houd de handdoek voor hem af zodat hij zijn handen vrij heeft voor het wisselen. Uiteindelijk kunnen de fietssleutels uitgedeeld worden en een start aan de terugtocht. Ik fiets naar het midden van de weg en hef mijn hand. Auto’s stoppen en de kinderen fietsen, met iets minder energie na uren rennen en ploeteren door modder. Bij de heuvels rond het Jaomerdal moeten we een aantal keer wachten om de groep weer compleet te krijgen.

Geluid…

Ik kijk naar de schaduw op de zijkant van het huis. Een vogel, de vleugels wijd gespreid en groot, heel groot. De schaduw beslaat bijna de hele zijkant van het huis maar wordt dan opeens kleiner, heel snel en op het laatst zie ik de duif die de schaduw veroorzaakte landen op de schoorsteen. Ik fiets door en rijd de dijk op. De Maas ligt er stil bij alhoewel stil bij de rivier altijd verraderlijk is. Ik ben de Maas vaak overgezwommen maar hoe stil het ook lijkt, het stuwende water drijft je tientallen meters uit koers. Het langwerpige meertje dat in de winter goed zichtbaar is, is nu vrijwel geheel verscholen achter de groeiende bladeren aan de struiken en de bomen. Ik weet dat het water er is, en op sommige plekken zie ik het ook, maar vooral hoor ik het. Het gekwetter van de vogels en eenden, het geklapper van vleugels in lucht of het doffere geluid vlak boven het water. Het is een klein paradijs, daar beneden de dijk, geen paden waar mensen lopen, slechts de rust voor de dieren. Wat ons rest is het geluid en terwijl ik er langs fiets neem ik dat geluid in me op, een heerlijk rustgevend geluid net voor ik de stad bereik met het andere geluid, klanken die ik ook goed ken en net zo zeer waardeer maar zelden het zelfde gevoel verzorgen als het geluid van een kwakende eend die rennend over het water een poging doet om op te stijgen.