Ik kijk naar de schaduw op de zijkant van het huis. Een vogel, de vleugels wijd gespreid en groot, heel groot. De schaduw beslaat bijna de hele zijkant van het huis maar wordt dan opeens kleiner, heel snel en op het laatst zie ik de duif die de schaduw veroorzaakte landen op de schoorsteen. Ik fiets door en rijd de dijk op. De Maas ligt er stil bij alhoewel stil bij de rivier altijd verraderlijk is. Ik ben de Maas vaak overgezwommen maar hoe stil het ook lijkt, het stuwende water drijft je tientallen meters uit koers. Het langwerpige meertje dat in de winter goed zichtbaar is, is nu vrijwel geheel verscholen achter de groeiende bladeren aan de struiken en de bomen. Ik weet dat het water er is, en op sommige plekken zie ik het ook, maar vooral hoor ik het. Het gekwetter van de vogels en eenden, het geklapper van vleugels in lucht of het doffere geluid vlak boven het water. Het is een klein paradijs, daar beneden de dijk, geen paden waar mensen lopen, slechts de rust voor de dieren. Wat ons rest is het geluid en terwijl ik er langs fiets neem ik dat geluid in me op, een heerlijk rustgevend geluid net voor ik de stad bereik met het andere geluid, klanken die ik ook goed ken en net zo zeer waardeer maar zelden het zelfde gevoel verzorgen als het geluid van een kwakende eend die rennend over het water een poging doet om op te stijgen.