Ik fiets met mijn jongste zoon in het donker door de miezerende regen. We passeren het pad waar we altijd met de hondjes wandelen en ook nu wandelen er al een paar baasjes met hun viervoeters. Geen van de hondjes lijkt er erg veel zin in te hebben zoals ook onze hondjes, die ik drie kwartier geleden uitliet hun tegenzin duidelijk lieten blijken toen ze zagen dat het buiten nat was. We plaatsen onze fietsen bij de sportschool, scannen met het pasje de draaideur open en lopen de trap op naar de kleedruimten. Omkleden. Flesje water vullen wat lang duurt omdat uit de kraan eerst een tijdlang warm water stroomt voordat het koud wordt en dan naar beneden. Ik begin zoals altijd op de loopband. Er staan een stuk of zes wat oudere sporters al op de banden en die zijn aan het wandelen en ondertussen luid aan het converseren. Als ik in de sportschool iemand langdurig hoor praten met een andere sporter dan bekruipt me altijd de gedachte dat je dan niet hard genoeg aan het sporten bent, als je nog zoveel adem over hebt. Dat vind ik flauw van mezelf, maar na een tijdje begint het geluid links van me toch te storen en ik besluit mijn looptraining af te breken en ergens anders verder te gaan. Ik neem me ook voor om de volgende keer mijn oortjes mee te nemen zodat ik in alle rust tijdens het sporten naar muziek kan luisteren in plaats van naar kletsende wandelaars.