We zijn samen, bij mijn moeder thuis, en het is al weer even geleden dat we samen zijn geweest. Wij met z’n vieren, de hondjes niet meegerekend, mijn broer met zijn man en mijn moeder alleen. Het is het einde jaar, het is de vermoeidheid en ik weet dat ik daardoor emotioneler ben maar ondanks dat het inmiddels de twaalfde kerst zonder mijn vader is mis ik hem op dit soort avonden. Bij de boekenkast bovenaan de trap waar een plank scheef is komen te hangen omdat de dragertjes geknapt zijn en de stapel ‘het aanzien van’ de plank opving, blijf ik even staan. Het aanzien van is opgehouden bij jaar tweeduizendvijf. Dat is twee jaar voor mijn vader stierf en ik vraag me af, gezien de enorme stapel, waarom er geen jaartallen meer bijkwamen. Ik kijk naar de boeken en ik weet dat er veel boeken zijn die slechts door hem gelezen werden, ik pak er een uit de kast en ik vraag me af, het boek doorbladerend, wanneer hij het las. Daarna ga ik terug naar beneden, naar de gezelligheid want gelukkig gaat het leven door, maar zo af en toe is het niet erg om even in een emotionele bui terug te denken aan vroeger, om eens naar de heldere hemel te kijken wanneer ik de hondjes uitlaat en terug te denken aan ons toen tweejarig zoontje die naar een zelfde strakke hemel wees en opa zei.