Ik loop het tweede ochtendrondje met Lotje. Izzie wil die tweede keer zelden mee maar Lotje, jong nog, heeft dat tweede rondje nodig want anders trekt het te lang tot het uitlaten in mijn middagpauze. Al halverwege de straat merk ik dat ze hoge nood heeft en de Hertog Reinoudsingel is nog ver. Te ver. Ik heb altijd zakjes bij me om op te ruimen wat te vroeg valt, maar een andere methode is om te gaan rennen. Daar wordt ze enthousiast van, dan vergeet ze dat ze iets moet en moet ik haar daar later, op de Hertog Reinoudsingel aan helpen herinneren. In haar enthousiasme probeert ze tijdens het rennen in mijn broekspijpen te bijten, dan geef ik een kort rukje aan de riem en zeg nee, dat herhaalt. Ik zie een bekende lopen en ik roep in het voorbijstuiven, we hebben er een behoorlijk tempo in, dat we even de ochtendenergie er uit aan het rennen zijn. De bocht om en halverwege de volgende straat, we zijn inmiddels aan het sprinten, gebeurt het. Lotje schiet opeens recht voor mijn voeten. Ik zag het niet eens gebeuren, maar opeens hoor ik haar schrikkerige blafje en ik val en lig daarna languit op de stoep. Ik krabbel overeind. Mijn eerste reactie is kijken of niemand de onfortuinlijke valpartij gezien heeft. Wonderlijk genoeg is de straat leeg. Als tweede controleer ik Lotje, maar die blijkt alleen geschrokken te zijn. Als derde kijk ik of mijn telefoon niet kapot is en als laatste, toch nog maar eventjes, controleer ik mezelf. Mijn elleboog ligt open, een schaafwond die langzaam rood begint te kleuren. Ik voel mijn knie flink en ik zie twee gaten bij mijn broekzak waar mijn sleutels door naar buiten zijn geprikt. Ik ben blij dat ze niet de andere kant op zijn gaan prikken, dan had ik de gaatjes in mijn been gehad. Buiten die twee gaatjes lijken mijn jas en broek verder geen gaten opgelopen te hebben. Het valt mee, gelukkig. Ik loop verder met Lotje, wandelend nu, en we halen keurig het hondenpad en ook daar is het rustig en kan Lotje in alle rust een goed plekje uitzoeken.

Plaats een reactie